Archief


15 mei 2019

“Armoede en de strategie van onwetendheid”

De gedachte erachter: als welvarende mensen weten onder welke omstandigheden arme mensen moeten leven, zullen zij vanzelf meer gaan delen en andere politieke keuzes maken. Werkt deze strategie?

Zijn we bereid te delen?

Veel mensen weten best dat mensen in armoede leven en de leefomstandigheden vaak ernstig te wensen overlaten. Voor nog te weinig burgers en politici (of zijn dat uiteindelijk dezelfde mensen?) is dat echter geen directe aanleiding, om ervoor in te staan, dat iets meer dan tot nu toe, van verworven rijkdom en welvaart gedeeld wordt.
Dat heeft te maken met botsende belangen. Ze vinden het nu eenmaal fijn, om het zelf goed te hebben en vooral te houden. Individualisme en vooral ook uit relatie zijn met onze naasten, versterkt dit.
En eenmaal in die welvarende situatie beland, dan laat men zich niet gauw verleiden tot teruggang in die fijne (materiële) omstandigheden.

Strategische onwetendheid

Bij het merendeel van de mensen zal cognitieve dissonantie optreden: het gedrag van mensen, die het materieel (financieel en sociaal) goed hebben, komt namelijk niet overeen met hun mening. Een onprettig gevoel, dat mensen vervolgens proberen recht te breien, bijvoorbeeld door zichzelf voor de gek te houden.
“Die armoedzaaier zal wel een dronkaard zijn, of een verslaafde dakloze, of een werkloze die gewoon niet wil werken.  Misschien vinden mensen in armoede het wel leuk om in deze omstandigheden te verkeren.” Of: “Het is niet prettig in armoede te leven, maar het is misschien maar voor eventjes”.
Die cognitieve dissonantie moet zich m.i. ook in de hoofden en harten afspelen van policiti en beleidsambtenaren. Zij hebben armoedebestrijding en inkomenspolitiek in portefeuille, nemen daarover besluiten, gestuurd door burgers, die politieke keuzes hebben gemaakt.  Maar ook zij gaan dus  vanuit de “eigen schuld” gedachte te werk.

Zoals de Amerikaanse schrijver Upton Sinclair al aangaf m.b.t. strategische onwetendheid: veel mensen staan niet graag geld af, maar willen ook niet aan zichzelf en anderen toegeven dat ze zelfzuchtig zijn. Onwetendheid is een strategie om niet te hoeven laten zien hoe je zou hebben gekozen in moeilijke situaties. Een keuze voor onwetendheid is een keuze. In ieder geval vermijd je daarmee een directere confrontatie met je innerlijke motieven.
Recentelijk probeerden dierenactivisten die strategische onwetendheid ook te doorbreken als het gaat over de excessen in de bio-industrie. Door de stallen open te breken, of door met verborgen camera’s beelden te maken in stallen of slachthuizen. Want, net als ingeval van armoede: “Bij veel mensen is er toch iets dat knaagt”.

Hoe wordt door het systeem gekeken naar mensen in armoede?

De Belgische Stichting Nieuwe Helden creëert kunstprojecten en urban actions voor de publieke ruimte en deed ook onderzoek naar het systeem achter armoede. Citaat uit een onderzoeksverslag:

Nahima Lanjri is federaal parlementslid voor CD&V (een Vlaamse Christendemocratische centrumpartij die met ongeveer 20% van de kiezers de tweede grootste partij van Vlaanderen is) in Brussel. Vanuit die pluchen beleidsstoel zet zij zich in voor “mensen die niet mee kunnen”. Zo zegt ze het zelf.
Nahima verzet graag bakens. Ze wil een armoedetoets invoeren zodat bij elke overheidsbeslissing het effect op mensen in armoede afgetoetst wordt. Maar ook hier moet je heel hard trekken om in zo’n beleidsdossiers beweging te krijgen. Ook in Brussel leeft er nog een fout beeld op armoede.
“Als mensen hun rekeningen niet kunnen betalen, dan zullen ze wel sneller werk gaan zoeken.” Een befaamde uitspraak van de staatssecretaris voor armoede bestrijding. De weg is nog lang en democratie en bewustwording kost tijd. Mensen willen graag een simpele oplossing. Complexe problemen en doorgedreven nuance zijn niet sexy in de politiek. Einde citaat.

Het gordijn over armoede zal, evenals met betrekking tot dierenleed in de vleesindustrie, worden weggetrokken; maar zal op korte termijn geen effect sorteren. Toch is er goede hoop, dat uiteindelijk verandering zal ontstaan. Mensen gaan steeds meer vragen stellen over de gevolgen van armoede voor de (lokale) samenleving, want het raakt aan hun eigen welbevinden. Vragen met betrekking tot de toekomstige leefbaarheid van de woonomgeving, kosten voor die samenleving en toenemende belastingdruk, die daarmee gepaard gaat, of simpelweg zorgen om de verder teruglopende fysieke en mentale bijdragen (meedoenschap) van armen aan de samenleving.
Zodra mensen steun van de overheid nodig hebben, betalen ze een prijs, omdat ze volgens het systeem “foute” keuzes maakten. Hulp moet je verdienen door eerst aan te tonen dat je ontelbaar keer gesolliciteerd hebt, dat je in staat bent om je huis te onderhouden, dat je wil werken aan je arbeidsattitude en woonvaardigheden en dat je ook nog iets terug wilt doen voor de maatschappij in vorm van vrijwilligerswerk. Pas als dat lijstje mooi afgevinkt is, krijg je een uitkering, die overigens net voldoende is om de twintigste van de maand te halen. Je bent en voelt je schuldiger dan je ooit, dat weer niet bevorderlijk is voor de gezondheid en vitaliteit.

Iedereen, die de moed heeft moet blijven roepen, dat dit niet klopt. Een mens heeft recht op een menswaardig leven, juist in tijden als het tegenzit, omdat hij of zij mens is, niet omdat een lijstje afgevinkt werd.

Gert-Jan Jacobs

 

25 april 2019

“De overheid vergeet wat armoede psychisch en sociaal met mensen doet”


Enkele cijfers

Armoede is een onderwerp, dat regelmatig onder de aandacht komt in de media, soms door toedoen van een Nederlandse prinses, of een betrokken BN’er, of via verkiezingsprogramma’s van politieke partijen, in het armoedebeleid van gemeenten, of door talrijke onderzoeksrapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau of Centraal Bureau voor de Statistiek, die de gevolgen voor de samenleving analyseren.

De Verenigde Naties, (niemand mag in 2030 nog in extreme armoede leven), de Europese Unie (voor 2020 is het doel 20 miljoen minder armen, tot nu toe zijn er sinds 2008 slechts 4 miljoen rijker geworden), ons kabinet (Regeerakkoord 2017 – 2021 “Vertrouwen in de toekomst”: extra middelen beschikbaar voor het voorkomen van schulden en de bestrijding van armoede – in het bijzonder onder kinderen) en gemeenten hebben doelstellingen geformuleerd om de strijd tegen armoede aan te gaan.

In totaal leven in de Europese Unie, zonder het Verenigd Koninkrijk, meer dan 112 miljoen mensen op of onder de armoedegrens, dat maakt 22,4% uit van de bevolking.
In dit verband zit Nederland met 16,7% onder het gemiddelde percentage van de EU.
Absoluut zijn dit echter nog altijd 2,8 miljoen medelanders. (Bron: Eurostat).

Zorgt de overheid voldoende voor arme mensen?

De overheid is van iedereen, voor iedereen, altijd, overal. De overheid is het hoogste gezag op een bepaald grondgebied.
In Nederland hebben we een parlementaire democratie. Daarin heeft de volksvertegenwoordiging, het parlement, en op lokaal niveau de gemeenteraad, het laatste woord.
Bij de overheid werken tienduizenden ambtenaren. Sommigen bereiden beleid en wetgeving voor, anderen voeren beleid uit.
Zo ook voor wat betreft de armoedebestrijding.

Dat iedere burger in beginsel geen honger hoeft te lijden en zich deugdelijk kan kleden is echter niet alleen te danken aan de overheid, maar vooral aan particuliere initiatieven.
De kerken nemen ook een deel van de armoedebestrijding voor hun rekening.

Zo zijn er bijna 200 voedselbanken (waarvan 169 aangesloten bij Voedselbanken Nederland). In 2018 waren 140.000 mensen met uiteenlopende achtergronden afhankelijk van de voedselbank. Nederland telt ruim 50 kledingbanken en tientallen meubelbanken, waar mensen die geen kleding of huisraad kunnen betalen, het gratis mogen uitzoeken.

Deze “banken” zijn natuurlijk geen luxe.
Het bestaan ervan verraadt een grote verborgen armoede. Blijkbaar is de armoede in ons land zo groot, dat particulieren zich het armzalige lot van hun medemens zijn gaan aantrekken en ondanks een tekortschietende overheid het leven van de minder gelukkigen toch wat aangenamer wil maken. Alleen al de voedselbanken drijven op bijna 12.000 vrijwilligers.

“Psychologie van de schaarste”; levert op basis hiervan de overheid en de politiek maatwerkbeleid?

Mensen die rond moeten komen van een klein budget zijn niet dom, lui of ongemotiveerd, maar ze maken andere keuzes, doordat ze een gebrek aan geld hebben.
Niet de persoonskenmerken, maar de situatie zorgt er voor dat ze zich vaker anders gedragen. Door de druk van schaarste op hun denkvermogen hebben ze minder denkcapaciteit over voor andere beslissingen of taken, waardoor ze deze minder goed kunnen uitvoeren.
Het is zelfs bewezen dat wanneer mensen schaarste ervaren, het IQ effectief lager is, dan wanneer ze geen gebrek aan iets hebben.

Harvard-econoom Sendhil Mullainathan en Princeton-psycholoog Eldar Shafir gebruiken een mooie metafoor in hun boek “Schaarste, hoe gebrek aan geld en tijd ons gedrag bepalen” (2013) om het effect van tunnelvisie te illustreren:

Stel iemand is aan het jongleren met vier balletjes. Hij moet zijn uiterste best doen om ze allemaal in de lucht te houden.
Welk balletje heeft zijn aandacht?
Dat is het balletje dat hij op dat moment moet opvangen. Want als dat valt, moet hij opnieuw beginnen.
Het balletje daarna krijgt pas aandacht als het ene balletje in zijn hand ligt. Een langetermijnperspectief is hier dus niet mogelijk; hij heeft alleen aandacht voor het balletje, dat op dat moment het belangrijkste is: dat zit in zijn tunnel, de rest is op dat moment niet belangrijk.

Nog te vaak wordt door hulpverleners en/of ambtenaren (en dus ook de politici) slechts gekeken naar de feiten.
Hulpverleners moeten gebruik maken van de nieuwe inzichten over armoede. ‘Anders blijf je ineffectief beleid ontwikkelen en uitvoeren’, zegt Roeland van Geuns, lector Armoede en Participatie aan de Hogeschool Amsterdam.

Wat moet er gebeuren?

Het is onaanvaardbaar, dat de overheid armoedebestrijding overlaat aan een deels falend systeem van sociale zekerheid en verder aan de vrijwillige inzet van burgers.
Een humaner en meer solidair economisch- en samenlevingsmodel is mogelijk en blijft het streefdoel.

Op korte termijn is de realisatie daarvan uiteraard weinig waarschijnlijk, maar in afwachting van een situatie, ook op basis van politieke keuzes, die minder of geen nieuwe armoede creëert, kan er toch meer gedaan worden om de bestaande armoede te verzachten en mensen kansen te geven om er met enige hulp uit te geraken.
En dat vraagt om politieke moed en duidelijke uitleg aan burgers, de kiezers.

De noden liggen op drie gebieden:

• Het inkomen

Het “niet-veel-maar-toereikendbudget” van € 1135,– per maand, gebaseerd op het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD), moet omhoog.
Dat is een financiële inspanning waarvoor dit land zeker de middelen heeft. Dit is niet alleen een kwestie van rechten, maar ook van menselijkheid. Bovendien werkt een voldoende hoog inkomen ook preventief: nu stellen veel mensen bezoek aan een arts uit om financiële redenen, met individuele en maatschappelijke meerkosten als gevolg.
Bovendien kan een deel ‘terugverdiend’ worden, omdat juist in de groep met de laagste inkomens een meerinkomen volledig besteed wordt aan basisbehoeften.
Armoede laten bestaan kan duur zijn.

• De psychische schade

De psychische schade, veroorzaakt door armoede, verdient grote aandacht en moet opgelost, ook als het inkomen weer op peil zou zijn gebracht. Jarenlang geen middelen hebben gehad om een kwaliteitsvol leven te leiden, om op alle terreinen van het leven mee te kunnen, leidt tot sociale uitsluiting, tot een kloof tussen de gedragspatronen van de middenklasse en de overlevingsstrategieën en patronen van mensen in armoede.
Om mensen uit armoede terug hun plaats in de samenleving te laten innemen is daarom voldoende agogische begeleiding nodig.
(Een agogisch medewerker helpt mensen, die een nare periode achter de rug hebben, opnieuw te functioneren).

• Verduidelijking basisrechten door de overheid

Een inspanning is nodig op wetgevend vlak en de communicatie, om, waar het kan, de oorzaken van armoede aan te pakken en niet alleen de symptomen.
Basisrechten van burgers mogen niet alleen op papier bestaan, de overheid moet ze voor iedereen vlot toegankelijk maken.
Daarnaast zou in de basis het Armoede- en Inkomensbeleid in alle gemeenten in Nederland, ongeacht de financiële positie van iedere afzonderlijke gemeente, op basis van humaniteit hetzelfde moeten zijn. Humaniteit kent namelijk geen gemeentelijke grenzen.

Want de overheid kan niet zorg dragen voor een warme en zorgzame samenleving, als diezelfde overheid niet bereid is medemensen, die in moeilijkheden zijn geraakt, voldoende passend bij te staan.

Gert-Jan Jacobs

 

2 april 2019

“De terreur van het hoogstpersoonlijke”

De waarheid, dat mensen problemen hebben, zit prof. dr. B.E. Barbara Baarsma niet lekker.

Over armoede en zij, die pech hebben in het leven.

“In de politieke arena is de “terreur van het hoogstpersoonlijke” gemeengoed.
Op basis van anekdotisch bewijs verzameld tijdens werkbezoeken of gesprekken wordt dan een trend geschetst of worden zelfs beleidsconclusies getrokken.
Zo kan een geweldsincident op een treinstation reden zijn om te eisen dat een extra zak geld beschikbaar komt, zonder te kijken naar de trendmatige ontwikkeling van sociale veiligheid op het spoor”.

Dat schreef Baarsma in 2017, op de website van SEO Economisch Onderzoek (SEO). SEO is in 1949 vanuit de Economische Faculteit van de Universiteit van Amsterdam opgericht, om het doen van toegepast onderzoek te stimuleren.

Op maandag 1 april jl. haalt ze die methode van terreur, in het NPO-radio 1 programma “Spraakmakers”, nog maar eens aan, als ze spreekt over mensen in ons land, die lijden aan verlies van koopkracht (ze bedoelt mensen in armoede), of zij die eenzaam zijn, of anderszins pech in het leven hebben gehad.
Ze heeft het over meerdere recente onderzoeken, die laten zien, dat het gewoon fantastisch gaat met Nederland, ook in vergelijking met het buitenland, maar dat natuurlijk niet veronachtzaamd moet worden, dat er mensen zijn die het niet zo goed hebben. “Verstandig is het niet, om alles wat slecht gaat, alles wat schokt zoveel aandacht te geven. Laten we ons realiseren hoe goed het gaat in Nederland.”

Van de terreur van het hoogstpersoonlijke of zelfs verliesaversie (dat zoveel betekent als, we hebben het zo goed, dus ook snel veel te verliezen) wil ze niets weten, want dat is niet de maat der zaken, zo stelde zij.

Aandacht voor de individuele problemen van groepen mensen wil ze liever niet. Wel dat er dan in dergelijke gevallen maatwerk en burgerschapszin geleverd zou moeten worden.
Voor de duidelijkheid: plm. 600.000 huishoudens leven onder de armoedegrens (bron CBS), en 1 op de 9 kinderen (plm. 400.000, bron Kinderombudsman) groeit in Nederland in armoede op.

prof. dr. B.E. Barbara Baarsma

Baarsma, (ze is door een ringetje te halen, zou mijn moeder zaliger zeggen) behoort beslist niet tot de groep, die pech heeft ontmoet, zoals de mensen waarop zij doelt.

Baarsma is directievoorzitter van Rabobank Amsterdam en hoogleraar toegepaste economie aan de Universiteit van Amsterdam.
Daarnaast is zij kroonlid van de Sociaal-Economische Raad (SER) en lid van de Monitoringcommissie Corporate Governance.
Eerder was zij directeur van SEO Economisch Onderzoek.
Recentelijk trad ze ook toe tot het Nederlands Comité voor Ondernemerschap. Dat is een comité dat zich inzet voor duurzame groei voor het midden- en kleinbedrijf. Ook koningin Máxima is lid en TomTom-baas Harold Goddijn is de voorzitter.

Ze schuift al jaren met de regelmaat van de klok aan tafel als talking head bij TV-programma’s zoals Nieuwsuur, De Wereld Draait Door, Pauw, Jinek en ook op de radio wordt haar veel spreektijd gegund. Even moest ik hierbij denken aan de 80/20 regel (geen wetmatigheid) van Pareto en dat zal haar als econome aanspreken; 20% van de gasten aan dergelijke tafels levert 80% van de duidingen op onderwerpen. En allemaal voor het goede doel: toelichten, uitleggen en het toegankelijk maken van de economie en sociaal economische gevolgen bij bepaalde beleidskeuzen.

Wat klemt er in haar opvatting?

De praktijk is, dat de hervormingen, mede als gevolg van de kredietcrisis, van de sociale voorzieningen en strakker lokaal gemeentelijk bijstands- en armoedebeleid, onder de noemer van bezuinigingen, ertoe hebben geleid, dat je al heel gauw op of onder de armoedegrens leeft. Daarover hoor ik haar echter nooit spreken.
Om de individuele verhalen te horen moet je je ook begeven onder de mensen die financieel en sociaal knel zitten, buurthuizen bezoeken in de achterstandswijken, en/of spreken met bijstandsgerechtigden en/of werkzoekenden.
Natuurlijk kun je ook het programma “Reset Rotterdam” lezen over de strijd tegen de schulden in deze stad.
Als je ontslagen bent, of van tijdelijk baantje naar tijdelijk baantje hopt, of tegen wil en dank dan maar zzp’er bent geworden, of in de schulden bent geraakt, of statushouder bent die zijn/haar leven nog gestalte moet geven, dan is de persoonlijke financiële crisis altijd dichtbij of al aan de orde.

Want wat heeft de uitspraak over die terreur van het hoogstpersoonlijke nog voor waarde, als je al die hoogstpersoonlijke terreur-gevallen bij elkaar telt en je komt tot eerder genoemde aantallen van mensen in armoede? Want juist Baarsma zou met haar lijstjes als onderzoekster moeten weten, dat die getallen er op wijzen, dat een grote groep, en ja daarbinnen ieder hoogstpersoonlijk, een eigen verhaal heeft. En een eigen waarheid ook en dat doet helemaal niets af aan de complexe problematiek van het totaal van de groep.
Inmiddels begrijp ik wel dat Baarsma altijd twijfelt aan de waarheid. Ze schrijft namelijk in haar oratie “Moeilijke marktwerking en meedogenloze mededinging; een welvaartseconomisch perspectief”, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Marktwerking en Mededingingseconomie aan de Universiteit van Amsterdam op 12 februari 2010:
“Ook bedank ik graag Jan Lambooy en Bernard van Praag die beiden als promotor van mijn proefschrift aan de basis van mijn wetenschappelijke carrière hebben gestaan. Jan, je leerde me dat de functie van wetenschap ook is om twijfel te zaaien. “Er is geen waarheid”, zeg je altijd. “Twijfel dus altijd als je denkt er een gevonden te hebben.”

Maatwerk en burgerschapszin

Wel was ik blij te horen in hetzelfde radioprogramma, dat ze pleit voor maatwerk, voor hen die niet (meer) mee kunnen komen in onze samenleving. Wat ik dan echter weer miste was een doorwrocht idee of concreet advies, wat dat maatwerk precies moet zijn en hoe en door wie dat dan moet worden gerealiseerd?
Nu klinkt het slechts als platgetreden jargon, waarbij in de praktijk, om politieke en vooral financiële redenen, weinig of niets van maatwerk terecht komt. Ook pleit ze ervoor, om de terreur van het hoogstpersoonlijke te bestrijden door meer burgerschapszin te ontwikkelen.
Het is wat mij betreft ook hier een vaag gebruikt begrip, maar ik leg het maar uit als dat Baarsma meer gemeenschapszin in de samenleving wenst.
Maar, ziet ze over het hoofd, dat het doenvermogen en mededoenschap resoluut afneemt, als je in de stress van dagelijkse en langdurige armoede leeft? Of bedoelt zij, dat juist de elite, waarover Sander Schimmelpenninck en Ruben van Zwieten schrijven in hun recente boek “Elite gezocht”, meer burgerschapszin aan de dag moet leggen en een hand moet uitsteken naar de kwetsbaren in onze samenleving? “Een Economische elite overigens, die vooral obsessief met het eigen vermogen bezig is”, zo stellen de schrijvers.

Baarsma zegt tegelijkertijd ook, dat ze denkt dat de “elite” zich niet uitspreekt over dit thema; het hoofd niet boven het maaiveld durft uit te steken, om mensen met pech in onze samenleving de helpende hand te bieden, omdat anders hun hoofd op het “hakblok” komt te liggen. Met hakblok wordt o.a. de (social) media bedoeld. Het voelt als een handige ontwijking van Baarsma, om de elite niet daadwerkelijk op een verantwoordelijkheid te hoeven wijzen.
Stemmen op (lokale) politieke partijen, die het echt willen opnemen voor de zwaksten in onze samenleving bij verkiezingen, kan nog steeds dacht ik en zou dan toch op zijn minst een gewenste anonieme uitweg kunnen zijn voor die elite, om een extra bijdrage  te kunnen leveren?

Ik wil van harte ten opzichte van onze samenleving optimisme uitstralen, maar had dolgraag ook van Baarsma gehoord, hoe we dat maatwerk gaan leveren en burgerschapszin met elkaar kunnen verhogen, zodat bijvoorbeeld de armoede teruggedrongen kan worden in ons land.

Nu blijf ik zitten met de gedachte, dat het zelfvoldane gevoel van hen, die niet zo heel veel pech in het leven hadden, juist is gesterkt door uitlatingen van Baarsma, die ze deed vanuit een ongelooflijk comfortable positie.

Terreur van het hooghartige?

Gert-Jan Jacobs

 

 

25 maart 2019

Streven naar een beter klimaat, maar dan voor Bijstandsgerechtigden: Geef hen meer lucht! (2)

Heb je een klein beetje spaargeld, dan geen kwijtschelding van overheidslasten. De overheid is er als de kippen bij.

De Bijstandsuitkering is ruim voldoende: “Je, moet niet zeuren!”

Het Armoedebeleid van Overheid en Overheidsinstanties blijkt in de praktijk op onderdelen nogal armoedig.
De tegenstellingen in het beleid van instanties zijn groot, in een poging om de situatie van mensen in armoede wat te verzachten.

Blij…, heel blij, verlost te zijn van schulden en nog blijer, door zeer uitgekiend en met discipline, je op het absolute bestaansminimum te kunnen handhaven.  Blij, om een paar Euro spaargeld bij elkaar gescharreld te kunnen hebben, wordt de bijstandsgerechtigde ineens weer minder blij gemaakt door de overheid. Diezelfde overheid, die ooooo zo blij is, als je weer mee gaat doen, of als je je schulden hebt afgelost. Toch?

De Overheid is het Rijk, Provincies en Gemeenten.
Decentrale Overheidsinstanties zijn bijvoorbeeld de Waterschappen.
Gemeenten en provincies ontvangen een algemene uitkering (via Fondsen) van het Rijk. De Waterschappen niet.
Er wordt nergens expliciet duidelijk gemaakt, waarom dit verschil bestaat, maar waarschijnlijk om het belangrijke werk van zorg voor water buiten de politieke discussie te houden. Hoewel dit weer haaks staat op het gegeven, dat politieke partijen meedoen aan de Waterschapsverkiezingen.

De burger in financiële nood begrijpt er geen snars van

Omdat deze organen zich kunnen presenteren als “zelfstandige entiteiten”, is het beleid ten aanzien van het hebben van een beetje spaargeld en mogelijke kwijtschelding van de lasten, voor mensen in armoede, helaas ook dramatisch verschillend.
Wel of geen gedecentraliseerde overheid; het verschil is totaal niet te begrijpen door de burger die de eindjes aan elkaar moet knopen.

Het inkomen op bijstandsniveau, maar liefst netto € 974,- per maand, is voldoende hoor, om allerlei lasten te kunnen dragen, zegt de overheid.
De hoogte van een  humane bijstandsuitkering is natuurlijk op zich, in dit verband, al een maatschappelijke en politieke discussie waard, kijkend naar het feit, dat steeds meer mensen, ook de werkenden, de voortdurende lastenstijgingen niet of nauwelijks meer kunnen dragen.

De normen voor het hebben van een beetje spaargeld

Om een bijstandsuitkering te verkrijgen, mag je van de gemeente als individu maximaal over € 6.100,- spaargeld beschikken.
Om in aanmerking te komen bij diezelfde gemeente voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen,  zoals voor afvalstoffenheffing, rioolheffing en de eerste hond bij de hondenbelasting, mag je echter slechts over maximaal € 1200,- spaargeld beschikken.
Zit je daar 1 euro boven, dan dien je de lasten in zijn geheel op te hoesten.
Waterschappen zijn nog strenger, als het gaat om het hebben van een beetje spaargeld.
Waarom zijn de normen van het hebben van spaargeld niet gelijk binnen deze overheidsinstanties, aan de vermogenstoets van de bijstandsuitkering?
De gemeentelijke- en waterschapslasten bedragen samen al gauw € 450,- per jaar. Ik schat in, dat je daarmee zo’n 150 maaltijden per jaar kunt kopen. Dat is dus heel veel geld voor een bijstandsgerechtigde, met een klein beetje spaargeld, dat hij of zij koestert. Geld, wat ook nog eens in staat stelt, om af en toe te kunnen participeren in de samenleving.

Eigen schuld; je dient geld te reserveren, zegt de overheid knalhard

Een bijstandsuitkering is opgebouwd uit een aantal deeluitkeringen: een deel voor woonkosten, een deel voor kleding, een deel voor voedsel, een deel voor reserveringen.
Reserveringen…? Ja, u leest het goed, reserveringen!
Dat je kunt reserveren met een bijstandsuitkering. Een bijstandsuitkering is daarvoor toereikend, zegt de gemeente.
Als je deze insteek leest, denk je echt, dat een beleidsambtenaar, wethouder of raadslid, die hierover het beleid schreef en een besluit nam, zelf veel ervaring praktische ervaring heeft met het leven op bijstandsniveau, en zicht heeft op alle financiële onzekerheden en psycho-sociale effecten van het gekozen beleid.
Chapeau!

Is de overheid niet humaan?

“De burgers zijn het humane gezicht van Nederland. Niet dat de ambtenaren inhumaan zijn, maar zij vertonen koude solidariteit. Zij bepalen of ze voorzieningen treffen of niet. Die functie moet er zijn, maar die vertegenwoordigt niet de menselijke, emotionele kant”.
Dat zei historicus James Kennedy, hoogleraar aan de VU te Amsterdam in 2016, tijdens een Divosa-college. Divosa is de vereniging van gemeentelijke directeuren in het sociaal domein.
En vlak ook hier weer niet de rol van Raadsleden uit, die het sociale beleid van gemeenten op dit punt goedkeuren en het Bestuur van de Waterschappen, vaak ingegeven door slechts financiële argumenten.

Blijf van de bijstandsgerechtigde af

Het is meer dan duidelijk; overheid, blijf  in ieder geval met je fikken van de bijstandsgerechtigde af en geef deze groep mensen iets meer financiële ruimte.
Ja, ja, dat vraagt politieke moed, andere keuzes en nog iets meer solidariteit dus van hen, de kiezers, die sterkere schouders hebben.
De sociale en psychologische voordelen zijn er natuurlijk ook, als we armoede bestrijden.
De lastenverlichting zou ook zomaar het werk van  de gemeentelijke schuldhulpverlening kunnen verlichten. Voordelen, die ontegenzeggelijk ook weer op hun beurt ten goede komen, ook aan hen die minder pech hebben gehad in het leven.

Zie mijn vorige column (1) onder tabblad Archief, waarin ik schrijf over de voordelen voor die samenleving, als we minder krampachtig worden, minder denken in “zij zijn schuldig aan hun eigen situatie”  en meer vertrouwen en ruimte bieden aan de financieel zwaksten.

Gert-Jan Jacobs

 


19 maart 2019

Streven naar een beter klimaat, maar dan voor Bijstandsgerechtigden: Geef hen meer lucht! (1)

De regeling Individuele Inkomenstoeslag voor Bijstandsgerechtigden onder de loep

“Armoede is de grote vijand van het menselijk geluk; zij vernietigt de vrijheid van de mens, de vrijheid om je eigen pad te kiezen, de vrijheid om deel te kunnen nemen aan de samenleving, de vrijheid ook om het goede te doen; dat alles verdwijnt bij armoede”. (Samuel Johnson, 18e eeuwse Britse dichter)

Aanvragen van de eenmalige en jaarlijkse Individuele Inkomenstoeslag (netto tussen € 85,-  en € 400,- voor een alleenstaande) kan als je 3 jaar of langer een inkomen hebt, dat ligt op 110% van het Bijstandsniveau en er geen directe mogelijkheden zijn, om het inkomen in de komende 12 maanden te verhogen.
Het Rijk heeft de uitvoering van deze regeling aan gemeenten gedelegeerd en ieder gemeente hanteert naar eigen inzicht.
Bij een aanvraag kijken werkconsulenten en juridisch adviseurs van de gemeenten naar de individuele situatie.
Kun je aan het werk, wat heb je het afgelopen jaren gedaan om aan het werk te komen, heb je werk geweigerd etc.?
De situatie van langdurige armoede wordt echter buiten beschouwing gelaten. Een misser van jewelste…..

Wat moet gewijzigd?

Ik pleit ervoor, dat niet de kans op inkomensverbetering wordt gewogen in de toekenning van een toeslag, maar juist de achterliggende periode van in armoede verkeren. Dus los van of je gezond bent, of belast met een arbeidsbeperking.
Waarom pleit ik ervoor?
Mensen zijn (vaak) niet door hun schuld in de bijstand terecht gekomen. De negatieve financiële, psychologische en sociale gevolgen zijn groot, zowel voor het individu, alsmede voor de samenleving, omdat het doenvermogen verder terugloopt.
En er wordt zelfs minder snel een baan gevonden door stressfactoren die zich vergroten. Het heeft effect op de kwaliteit van solliciteren.

De bijdrage aan de samenleving vermindert ook; er ontstaan allerlei gezondheidsproblemen en daardoor hogere zorgkosten, die ook weer drukken op diezelfde samenleving.
En dat allemaal door het willen klein houden van bijstandsgerechtigden?

Want zij dienen met “wantrouwen” benaderd te worden.
Het hier geschetste resultaat, is naar mijn idee in tegenstelling met wat de Participatiesamenleving wil.

3 of 5 jaar wachten als bijstandsgerechtigde

Gemeenten hanteren uiteenlopende wachttijden, de zogenaamde referteperiode van soms 3 en elders maar liefst 5 jaar (!), voordat een aanvraag gedaan kan worden. Dat is ongelooflijk lang. Het aanhouden van een veel te lange referteperiode en met nadruk op de ontstane armoede, heb ik in 2018 zorgvuldig beargumenteerd in een brief aan een gemeente. Daarop volgde een gesprek met 2 juridisch adviseurs en een werkconsulent van de gemeente.
De ambtenaar gaf mij in het gesprek aan, dat ze de aanvrager op een verjaardagsfeestje, direct gelijk zou geven en een toeslag veel vroeger dan 5 jaar wachten zou toekennen.
Dus niet op basis van het feit, dat iemand mogelijk zijn inkomen kan verbeteren, maar specifiek omdat de periode van armoede te lang is/was. Om de situatie wat te verzachten. Armoede doet wat met mensen, weet u. Van rechtswege was het dan ook nog zeer pijnlijk, ernstig en zelfs zorgelijk, de uitlating van dezelfde ambtenaar, dat men een aanvraag vaak niet kon toewijzen, omdat veel mensen in deze gemeente, in eenzelfde situatie, geen bezwaar maken.
Dat is wat mij betreft de democratie op zijn kop!

Afwijzen, omdat anders angst voor rechtsongelijkheid of een vorm van discriminatie zou ontstaan vanuit het openbaar bestuur ten opzichte van de burger, die niet de moeite neemt bezwaar te maken of zoiets?

Pikant detail; bij navraag gedaan te hebben, geen enkele ambtenaar of lokale politicus kon en kan uitleggen, wat in hun ogen dan het verschil is  in financiële-, psychologische- en sociale zin, met 3 of juist 5 jaar een laag inkomen te hebben, uitgaande van zaken die zich gaan voordoen en die wetenschappelijk geconstateerd zijn, zoals decorumverlies, toenemende stress, grotere wordende afstand tot de arbeidsmarkt en veelal opbouw van schulden. Ik vraag mij af bij wie moet ik dan zijn voor een afgewogen en concreet antwoord?

De gemeente toetst, maar zonder de menselijke maat. Wat richt je aan?

Het merendeel van de aanvragen van mensen, wordt resoluut afgewezen. Daarbij komt, dat het in bezwaar gaan sowieso al een moeizaam en ook zeer vermoeiend proces is, zeker als je al in situatie van Bijstand verkeert. Dan heb ik het nog niet eens over mensen met een beperking, een taalachterstand o.i.d. die de weg niet kennen of überhaupt kunnen bewandelen.

Gemeenten weten de negatieve beslissingen op een bezwaar ook nog eens zo te formuleren en te toetsen, zonder daadwerkelijk in totaliteit naar het specifieke individuele geval te kijken, of zich te bedienen van enige humaniteit, zodat in beroep gaan bij de rechtbank weinig zin heeft. De rechter gaat immers niet op de stoel van de bestuurder zitten.
Nu zijn ambtenaren weliswaar in eerste aanleg uitvoerend, maar enige moed mag toch van hen verwacht worden, het lokale bestuur vaker positief te adviseren, ook al moet er bijvoorbeeld bezuinigd worden in een gemeente. Een afwijzing raakt mensen diep met alle gevolgen van dien.

Verantwoordelijkheid Raadsleden; kennen zij wel de effecten van hun besluiten?

Raadsleden besluiten over Verordeningen, die worden voorbereid door ambtenaren.
Ik dring erop aan, dat Raadsleden veel meer hun verantwoordelijkheid nemen, zich verdiepen in deze doelgroep en nadenken over de consequenties van raadsbesluiten en verordeningen, die verband houden met armoede.
Iets meer lucht geven aan deze groep uitkeringsgerechtigden is broodnodig.
Immers, ruimte en meer lucht bieden was ook de kern van het Tweede Kamerdebat “Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting” op 14 februari jl.
En dat was ook de recente boodschap in de brief van de 4 Grote Steden aan Minister Ollongren, om mensen die het krap hebben iets meer ruimte te bieden.

Ik zie hierbij duidelijke overeenkomsten en voordelen om ook te komen tot een ruimhartiger toekenning van de Individuele Inkomenstoeslag.

Een praktijkvoorbeeld; hoorzitting georganiseerd door de gemeente, bedoeld als toelichting op een bezwaar na afwijzing van de toekenning van de toeslag:

Op een Hoorzitting werd ter introductie op een toelichting op een bezwaar, het volgende ingebracht door een bijstandsgerechtigde;

Ik wil een richtinggevend citaat noemen van de heer Tjeenk Willink, Minister van Staat en oud vice-voorzitter van de Raad van State, tijdens zijn gastoptreden in “Zomergastsessie van de Vereniging Nederlandse Gemeenten 2017”:

“Het lokale bestuur staat voor de keuze; voegen wij ons in de monoloog van de centrale overheid of bieden we tegenwicht vanuit de praktijk en de wereld waarin burgers leven? Zijn we lokaal een deel van het probleem of zijn we deel van de oplossing”? (Einde citaat).

Door louter protocolredenering en toetsing door een gemeente wordt de geest van de wet of een lokale verordening niet gehanteerd, waardoor, in individuele gevallen, mensen echt tekort wordt gedaan. Mensen, die op redelijke wijze van de overheid tijdelijk hulp vragen, zoals bijvoorbeeld in de Bijstand. Het leren nadenken over het recht en de uitwerking daarvan, zou toch voorop moeten staan, ook bij een ambtenaar.

De menselijke maat

Ik vraag mij dan af; de menselijke maat is o.a. in de politiek en ambtenarij is een veel gebruikte term, maar wat is daar dan eigenlijk de feitelijke diepere betekenis van? Pijlers waarop de menselijk maat steunen zijn o.a. autonomie, gelijkwaardigheid en streven naar begrip en communicatie. Maar die wordt veelvuldig gemist kan ik zeggen.
Ik wil politieke en gemeentelijke beleidsbepalers krachtig erop wijzen en meerderen gingen mij voor, dat er wel degelijk een verschil bestaat tussen de systeemwereld en de leefwereld van burgers. Het huidige politieke klimaat wijst daar ook op. Bijstandsgerechtigden zijn doorgaans niet schuldig aan de situatie, waarin zij zich (soms langdurig) bevinden. Het zijn ook niet allen fraudeurs. (En zo ja, dan moet het handhavingsapparaat op orde zijn.) Sterker nog, velen doen er alles aan, om uit de situatie van Bijstand te komen.

In het hierboven aangehaalde gesprek voegde nota bene de werkconsulent na afloop van dit gesprek nog toe; “ik begrijp wel degelijk dat mensen in bezwaar gaan; de bijstand is net genoeg om niet dood te gaan, maar te weinig om van de te leven”. Om maar aan te tonen dat het langdurig hebben van een laag inkomen  een toeslag toe te kennen meer rechtvaardigt, dan uitzicht hebben op verkrijgen van inkomensverbetering.
Het is echter diezelfde werkconsulent, die tegelijkertijd juridisch adviseurs influistert, dat voor wat betreft de toewijzing van individuele inkomenstoeslag voorbij gegaan kan worden aan bijstandsgerechtigden, die wellicht hun inkomen kunnen verbeteren.

Ethiek en handelen van een gemeente

Wat is goed en wat is kwaad?
Goed is, wat goed is voor mensen. Wat mensen verder helpt.
Kwaad is wat mensen schaadt.
Niet schaden is het begin van morele omgang met elkaar. En daar hoort m.i. ook een menselijke interpretatie van een wet, regeling, verordening bij, op individueel niveau.

Een afwijzing van de toeslag wordt vaak door de gemeente ook in verband gebracht, dat er wel een Armoedebeleid is geformuleerd binnen gemeente. Ik zie die link echter niet. Als voorbeeld; mijn wasmachine werkt nog en binnen het geformuleerde Armoedebeleid zal voor een bijstandsgerechtigde wel vervanging geregeld kunnen worden via de kringloopwinkel.
Het oorspronkelijk beoogde doel van de toeslagregeling was echter, om enige financiële ruimte en broodnodige lucht te bieden aan mensen in langdurig zeer lastige omstandigheden. Daarvoor is in de kern ooit door het Kabinet deze regeling opgesteld en aan gemeenten overgedragen, om in te zetten voor deze doelgroep burgers. Waarbij de gemeente geen condities stelt aan de besteding van de toegekende toeslag.

Uitkeringsgerechtigden moeten alles bewijzen, maar wat bewijst de overheid eigenlijk als een toeslag niet wordt toegekend?

Ik wil nog iets kwijt over de bewijskracht van de overheid, in het licht van de voorwaarden ter verkrijging van een Individuele Inkomenstoeslag.

Naast openbaarheid en vertrouwelijkheid, is de bewijskracht een van de drie peilers waarop het vertrouwen in de overheid is gebaseerd. Bijstandsgerechtigden zonder arbeidsbeperking kunnen niet bewijzen, dat zij in de komende 12 maanden hun inkomen kunnen verbeteren. Zij kunnen bewijzen, dat zij er alles aan doen en deden, om het inkomen in de afgelopen 5 jaar en in de toekomst te verbeteren. Zij kunnen wel bewijzen, dat zij een langdurig laag inkomen hebben, ondanks begeleiding op weg naar werk van bijvoorbeeld van een gemeente. De gemeente kan m.i. niet bewijzen, dat een bijstandsgerechtigde de komende 12 maanden daadwerkelijk inkomensverbetering tegemoet gaat zien. Dus het beginsel van vertrouwen hebben in de overheid wringt hier.

Oproep aan Raadsleden in Nederland

Wanneer we kijken naar het hebben van een langdurig minimum inkomen en genoemde positieve psycho-sociale aspecten na een toekenning van een toeslag, zou de regeling op gemeentelijk niveau aangepast en veel ruimhartiger toegepast moeten worden.

Ik roep Raadsleden hiertoe op in actie te komen en een positieve verandering te realiseren.

Gert-Jan Jacobs

Reacties zijn gesloten.

  • Bezoekers

    15562
    Total
    Visitors